| Linda
(41) "Op mijn 31e kreeg ik Max, mijn eerste kind. Een
cadeautje op mijn eigen verjaardag. Allebei Leeuw, met die typische
karakteristieke eigenschappen. Over het algemeen klikte het erg goed tussen
ons. Het was zo'n vrolijk mannetje en we hielden allebei van gezelligheid en
mensen om ons heen. Of hij nu vriendjes op bezoek had of het huis vol
'vreemde' bouwvakkers zat, omdat we een tijdlang hebben verbouwd. Max
vertelde altijd honderduit. Als het botste tussen hem en mij, dan kwam dat
door onze behoorlijke eigen wil. Als ik iets in mijn hoofd heb gehaald, dan
geef ik dat niet gauw op. Zo was het ook voor Max. En was het eventjes
strijden voor de winst.... We zijn ruim drie jaar met zijn drieën geweest, Max, Gerrit en ik. We
vormden een hecht gezin, waarin een enig kind onherroepelijk een middelpunt
vormt. Niet op een overdreven manier, maar heel gewoon, omdat het een ander
ritme en andere behoeften heeft dan twee volwassenen. Gerrit en ik stonden
allebei voor hem klaar. De ene keer bracht hij Max naar bed en las hij
verhaaltjes voor, de andere keer deed ik dat. Zo ging het met alles. Alleen
omdat Gerrit het laatste jaar veel in Italië was voor zijn werk, waren Max
en ik in die periode vooral op elkaar aangewezen. Hij ging toen voor het
eerste naar school - altijd even spannend voor kind én moeder. En Max ging
veel mee op ziekenbezoek bij mijn ouders en schoonmoeder; mijn vader en
Gerrits moeder overleden in dat jaar
Ik denk dat ik een
makkelijke moeder was. Ook ik hamerde natuurlijk op basisdingen als
luisteren, niet te veel snoepen en netjes dankjewel zeggen. Met makkelijk
bedoel ik vooral dat ik niet overbezorgd was. Ik keek niet om de vijf
seconden door het raam, als Max met vriendjes buiten speelde. Ik was ook
geen moeder van strikte regelmaat. Lunchen deden we bijvoorbeeld echt alleen
als we trek hadden en wanneer er tijd en gelegenheid voor was, niet ómdat
het twaalf uur was. Ook wat betreft slapen. We hadden streeftijden voor Max
om naar bed te gaan, maar als het een keer ietsje later of eerder werd, was
dat ook prima. Ik maakte me niet zo druk. Alles liep gewoon lekker. En het
was duidelijk dat Max zich ook prima kon vinden in dit leefpatroon: het was
een erg tevreden kereltje.
Op 8 december 1997, die datum staat voor eeuwig in mijn
geheugen gegrift, had ik afgesproken met een vriendin om een dagje op stap
te gaan en spulletjes te kopen voor haar winkeltje. Gerrit had een paar
dagen vrij en zou die dag met Max doorbrengen, mannen onder elkaar. Max
mocht kiezen wat ze gingen doen. Verrassend, maar niet heus: hij wilde
natuurlijk zwemmen met zijn allerbeste vriend, zijn vader. Mobiele telefoons
waren toen nog niet zo ingeburgerd als tegenwoordig, maar mijn vriendin had
er een. En met een jolig gebaar riep ze nog naar Gerrit: “We zijn bereikbaar
hoor! Dus als je ons nodig hebt….”
Eind van de middag, we zaten al in de auto op weg naar
huis, ging dat gekke ding inderdaad af. Mijn vriendin nam op, maar de
persoon aan de andere kant van de lijn was niet goed te verstaan. Was er
iets gebeurd met haar vriend? Of ging het niet goed met mijn moeder, zo vlak
na mijn vaders dood? De mobiele telefoon had geen goed bereik in de auto.
Snel parkeren dus en vragen of we ergens mochten bellen. Ik liep een
apotheek binnen, maar toen rinkelde die mobiel alweer. Het was Gerrit. En
Dit keer verstond ik hem maar al te duidelijk.
“Max is
dood”, riep hij “hij is verdronken!”
Max? Dood? Ik realiseerde me niet zo goed wat dat
betekende. In vier maanden tijd was mijn eigen zoon nu de derde die ik
verloor aan de dood, na mijn vader en schoonmoeder. Max was er niet meer. Ik
zou nooit meer met hem kunnen praten, nooit meer met hem spelen en ik zou
niet meemaken hoe hij volwassen zou worden. Vier jaar en vier maanden.
Zo
ontzettend jong. Dood. Verdronken in het zwembad. Ik weet nog dat ik meteen
wat mensen heb gebeld, die sneller in het ziekenhuis konden zijn om Gerrit
daar op te vangen. Met zijn zus had hij een sterke band; zij is zo snel als
zij kon die kant op gevlogen. Voor mij leek het eindeloos te duren, voordat
ook ik in het ziekenhuis aankwam.
Bij de eerste hulp
werden we opgevangen door een verpleegkundige en het was of ik haar zag
denken: oh jee, dat is de moeder van dat overleden kindje. Angst en
medeleven tekenden haar verschrikte gezicht. De verpleegkundige nam ons
mee, eerst naar een kantoortje (toen begon het pas tot me door te dringen:
in een kantoortje kom je niet voor een levend kind), daarna naar een
afdeling boven, naar Max. Pas toen ik dat grote, witte scherm zag staan
waarachter mijn mannetje lag, kon ik er echt niet meer omheen: dood, hij
was dood. Al mijn hoop in één klap weg. Max voelde ook al koud….
Voor het eerst zag ik
nu ook Gerrit. Hij was helemaal stuk. Verscheurd door schuldgevoelens,
onmacht en verdriet. Het gekke is dat ik me nauwelijks iets kan herinneren
van contact tussen ons. Ik weet wel dat hij me vertelde wat er in het
zwembad was gebeurd. Dat wilde ik weten. Verder zie ik hem alleen nog
zitten met zijn zus. Gelukkig was zij er voor hem. Ik had mijn vriendin en
mijn moeder, die inmiddels allemaal naar het ziekenhuis waren gekomen.
Gerrit en ik konden op dat moment moeilijk bij elkaar terecht. Misschien
was ons eigen verdriet te groot om er ook nog voor een ander te zijn. We
konden het in ieder geval niet met elkaar delen.
Wat er was gebeurd, had elke ouder kunnen
overkomen. Gerrit kon er niets aan doen, het is niet zijn schuld en ik heb
hem dan ook nooit iets verweten. Hij en Max hadden zich omgekleed en hun
kleren in een kluisje gedaan. Gerrit rommelde nog wat aan het slot, bond
het sleutelbandje om zijn pols, terwijl Max vast een paar passen vooruit
liep. Kort daarvoor nog waren we met zijn drieën op vakantie geweest. Veel
gezwommen en daarbij steeds aangedrongen op
zwembandjes voor Max. Hij liep geen dag rond zonder die dingen. Hij wist
ook goed waaróm hij ze droeg. Dus toen hij zijn vader die 8e
december nog bezig zag bij hun kluisje, riep hij zelf al ‘Papa, vergeet je
de bandjes niet?’
Een
paar seconden later kwam Gerrit achter hem aan. Maar Max leek in het niets
te zijn verdwenen. Gerrit riep en zocht, omdat hij dacht dat zijn zoon
zich had verstopt. Nergens kon hij hem vinden. En er was ook niemand in
het zwembad die iets gezien kon hebben. Even later kwam de badmeester te
hulp. Samen hebben ze overal gezocht, terwijl de angst hen bekroop. Waar
kon hij zijn? Overal water…. Toen ze hem uiteindelijk in het bubbelbad
zagen liggen, was het te laat.
De ambulance kwam, maar reanimeren mocht al niet
meer baten. Zo belangrijk kunnen een paar seconden zijn. Voor ieder mens
zouden ze te snel voorbijgegaan zijn. Daarom vond ik de woorden van de
aalmoezenier in de kapel zo mooi, later, tijdens de afscheidsdienst: ‘Het
is geen wonder dat dit jullie is overkomen, het is een wonder dat het niet
iedereen overkomt.’
Het was verschrikkelijk moeilijk om iedereen het
afschuwelijke nieuws van Max’ dood te vertellen. De vorige dag nog, op
zondag 7 december, hadden we bij ons thuis met een grote club mensen
Sinterklaas gevierd. Het was zo’n gezellige, onbezorgde middag geweest.
Onwerkelijk dan toch, dit nieuws?! Gerrits collega’s in Italië moesten het
weten, net als iedereen van Max’ school en familieleden. Gelukkig nam een
vriendin de nare taak op zich om vast alle buren in te lichten, voordat
Gerrit met Max zou thuiskomen vanuit het ziekenhuis. Ik was vast met haar
meegereden.
Je belandt vrijwel direct in een soort roes, omdat
je ondanks je verdriet zoveel moet regelen. En ik wilde alles zelf doen.
Zelf kaartjes ontwerpen en laten drukken bijvoorbeeld, want ik kende door
de dood van mijn vader en schoonmoeder de boeken met standaardkaartjes
wel; die wil je niet voor je kind. Ook de boeketten wilde ik graag zelf
maken. Ik had ooit eens een workshop bloemschikken gevolgd bij een erg
leuke vrouw en nu mocht ik, met wat vriendinnen, ’s avonds na elf uur
gebruik maken van haar werkruimte om zelf boeketten te maken voor Max. Wat
mooi, hoeveel liefde je toch ontmoet in zo’n moeilijke tijd. Deze mevrouw
was mij niets verschuldigd, ze hoefde dit helemaal niet te doen en toch
deed ze het. Zo bijzonder.
Ik ben die eerste dagen na Max’ dood een beetje
gevlucht in bezigheden buitenshuis. Samen met Gerrit een begraafplaatsje
zoeken, maar ook naar de kapper en kleren en schoenen kopen voor de
afscheidsdienst, mooie kaarsen halen voor op zijn kamertje en broodjes en
beleg kopen voor bij de koffietafel. Het was die dagen heel druk in huis.
Ik wilde namelijk dat iedereen die Max korter of langer had gekend, ook de
kans kreeg om afscheid van hem te nemen. Iedereen was welkom. Na de eerste
nacht – ik vond het verschrikkelijk om Max ook maar een minuut alleen in
zijn kamer te laten met die nare koelmotoren – werd er door familie en
vrienden een schema gemaakt, zodat Gerrit en ik af en toe konden slapen en
er toch altijd iemand bij Max zou zijn. Dag en nacht. We hadden zulke
lieve mensen om ons heen. Zo heeft een bevriende bakker de nacht voor de
begrafenis nog cakejesvoor mij staan maken. Ik had het zo graag zelf
gedaan, maar het ging niet meer. Met mijn recept en ingrediënten onder de
arm ben ik naar hem toegegaan en hij heeft de cakejes precies gemaakt,
zoals ik het zelf gedaan zou hebben.
De dag zelf liep zoals
ik me had voorgesteld. Gerrit en ik mochten Max zelf vanuit zijn
slaapkamertje naar beneden dragen en in zijn kistje in de auto leggen.
Geen begrafenisauto, maar onze eigen stationwagen. Dat wilden we niet, ons
kind in een rouwauto…. De begraafplaats die we hadden uitgezocht, was
vredig en mooi, gelegen in een prachtig bos. We wilden graag een
natuurlijke plek voor Max die we 24 uur per dag konden bezoeken. Met
zwerfkeien en veel groen. Wat waren we verrast door het aantal mensen dat
voor ons naar de kapel was gekomen. Ongelooflijk, wat gaf dat een warm
gevoel. Er werden door diverse vrienden en familieleden ook mooie woorden
gesproken; Gerrit en ik konden dat die dag niet opbrengen.
En dan is de begrafenis
geweest en moet je verder met je leven. Heel dubbel is dat, want voor je
gevoel houdt alles op. En trouwens, niet alleen voor je gevoel. Het is
gewoon een feit dat je niet meer naar de kleuterschool hoeft om je zoon te
halen en brengen. Je hoort geen kindergeluidjes meer in huis, je hoeft
geen speciale Max-yoghertjes en –snoepjes meer te kopen. En steeds denk
je: hij komt wel weer terug. Maar het gebeurt alleen nooit. Zijn kamertje
hebben we gelaten zoals hij was, zonder er een spookkamer van te maken. Ik
vond het dus niet erg als spullen werden opgepakt of verschoven, als ze
maar in die kamer bleven. Beneden zette ik een vitrinekast neer, waarin ik
al Max’ schoentjes en knuffeltjes bewaarde, en ook zijn tandenborstel,
vitaminepilletjes (hij vond pillen slikken geweldig), zijn Mcdonalds Happy
meal poppetjes en allerlei tekeningen en knutsels. En gelukkig had ik een
paar heel mooie foto’s van hem, die nog altijd een plekje in de woonkamer
hebben.
Tussen Gerrit en mij
ging het niet goed. We verwerkten ons verdriet ieder op ons eigen manier.
Ik ben een flapuit en deel mijn gevoelens graag met anderen. Gerrit is
meer een binnenvetter. Daardoor groeiden we uit elkaar. Ik denk dat een
relatie heel sterk moet zijn vóórdat zoiets verschrikkelijks gebeurt, want
anders overleef je het niet samen. Dat hebben wij aan den lijve
ondervonden; we zijn inmiddels gescheiden. Wel hebben we nog twee kinderen
gekregen. Eerst Sam (4) en tweeënhalf later Saar (2). Praten over het
verlies van Max lukt ons niet, maar wat betreft de opvoeding van Sam en
Saar kunnen we het gelukkig wel goed vinden. Ik denk dat ik het zelfde
type moeder ben gebleven als voor Max’ dood: makkelijk, niet overbezorgd.
Maar mijn onbevangenheid is weg. Ik zal niet meer alleen met twee kinderen
naar een speeltuin gaan bijvoorbeeld. Sam en Saar weten van Max. Voor hen
is hij toch een oudere broer, al kennen ze hem alleen van foto’s en
verhalen en groeien ze hem voorbij. Ik ben ook niet meer zo voorzichtig
met Max’ speeltjes en kleding. Vroeger was ik bang dat alles stuk zou gaan
en ik niets over zou overhouden dat aan hem herinnert. Nu vind ik het leuk
om zijn broertje en zusje ermee te zien. Sam slaapt zelfs in zijn kamertje
en in zijn bed, en Saar zie ja altijd en overal rondlopen met zijn
knuffelkonijnen. Op die manier is Max er steeds een beetje bij.
Ondanks de moeilijke
momenten, kan ik gelukkig ook zien dat er positieve dingen zijn
voortgekomen uit Max’ dood. Ik weet nu bijvoorbeeld dat ik veel sterker
ben dan ik altijd dacht, waardoor ik niet meer zo onzeker en afwachtend in
het leven sta. Ik ben me er ook erg van bewust geworden dat ik enorm lieve
mensen om me heen heb, bij wie ik nog altijd terecht kan met verdriet en
verhalen over Max. Dat is zo belangrijk. Dit verdriet zal namelijk de rest
van mijn leven bij mij horen.” |